Clowns

Post vier belde en eigenlijk bleek dat al overbodig want de lichtbundels van de zaklampen zagen we al van veraf tussen de bomen door de hoek om komen. We hadden hen ook al geschrokken horen schreeuwen en nu hun komst zichtbaar werd, was het onze beurt; aan mijn kompaan nadat ze dachten het ergste te hebben gehad, maar eerst dus aan de met een kettingzaag gewapende en tot horrorclown getransformeerde ik. De hele setting in het donkere bosgebied van Haelen had overigens een niet door onszelf geregisseerde extra dimensie gekregen toen een politiehelikopter boven ons bleef cirkelen en internet ons liet weten dat die op zoek was naar voortvluchtigen van een steekpartij. Het was maandagavond en er stond een griezeltocht op het kampprogramma van Groep 8.

De door de groep kinderen voortgebrachte lichtbundels deinden haast melancholisch op en neer en kwamen gestaag mijn richting op. Zelf was ik inmiddels zo’n honderd meter in de duisternis ongemerkt door het bos hun kant opgerend. Ik besloot nog even te wachten tot ze nog iets dichterbij waren, maakte stilletjes excuses aan alle fauna om me heen en liet toen de decibels uit de kettingzaag door het luchtruim ronken. Waar de lichtbundels meteen als bevroren tot stilstand kwamen, brachten mijn benen mij in toenemende snelheid in hun richting om mij, toen ik vlak voor hen stond, hard te laten gillen en sprintend terug te brengen naar de plek waar de andere vader zich inmiddels verscholen had in de bosjes en voor het echte verrassingseffect mocht zorgen.

Tussen het gillen, de angstige momenten en tranen door, was het vooral een hele toffe maandagavond. Net als de avond die volgde waarop de voorheen luizenmoeders smokkelwaarposten werden, de schooljuf als primus inter pares orde bracht en de vaders in hun rol als douane enkel focus hadden chaos in die orde te scheppen. Allen met één doel: het maken van mooie herinneringen voor de kinderen van die hele leuke Groep 8.

Het kamp is voorbij en met loodzware oogleden zit, hangt en ligt de kroos nu uitgeteld op de bank. De herinneringen blijven en ze weten dat al wat daar aan bijgedragen heeft nep was; het camouflagepak van de douane ligt inmiddels bij de was, de heksenmutsen weer in de vastelaoveskast en de horrorclown is afgeschminkt. Over omvergereden hekken op het Malieveld, clowneske types die grootmachten besturen, stikstofdiscussies en over dat de dader van de steekpartij nog altijd niet is gepakt, hebben we het maar even niet meer gehad.

Keepersfiliatie

Gisteren wonnen ze de beker in groep 1 van regio 3; FCV JO11-1 , het team waarin onze jongste onder de lat staat. Gisteren een week geleden werden ze al kampioen in de hoofdklasse en daarmee werd de dubbel een feit. Tijdens de bekerfinaledag die in Maasbree werd gespeeld, wonnen ze overigens niet alleen. Op het aanpalende veld veroverden hun makkers van de 12-1 eveneens het blinkend metaal en bij het laatste fluitsignaal wisten beide teams niet hoe snel ze bij elkaar moesten komen om dat samen te vieren. Het samen van FCV waar ik afgelopen week al een stukje over tikte.

In de luwte van het feestgedruis direct na de wedstrijd speelde zich op de Maasbreese velden iets moois af. Iets dat het competitieve van sport overstijgt. Een tafereel tussen twee jongens. Dezelfde leeftijd, dezelfde passie. Klasgenoten, maar spelend bij een andere club; de clubs die zojuist een ware bekerthriller op de mat hadden gelegd. Rivalen op het strijdtoneel maar wel allebei keeper en vooral dát, het keeper zijn, legde de connectie, meer dan het klasgenoot zijn. Omdat alleen keepers weten wat het is om keeper te zijn. Als een spits een kans mist, is dat jammer. Als een keeper de bal mist, telt dat meteen. Ook al begint het wellicht bij onnodig balverlies op het middenveld; het is toch de keeper die de bal uit het net mag vissen en de hoon in ontvangst mag nemen.

Gisteren ging het niet om wie het beste van het spel had, gisteren ging het om het winnen van de beker. En als er een winnaar is, is er ook een keeper die net iets vaker is gepasseerd dan zijn collega aan de overzijde, ook al hebben ze misschien wel allebei een wereldpartij gespeeld. In de luwte van het feestgedruis gebeurde er dus iets moois. De ene keeper lag op het veld, zoals je op het veld hóórt te liggen als de wereld alsnog voor even instort. De andere keeper ziet dit en zet het eigen juichen op de pauzestand. De juichende loopt niet meer juichend naar de treurende en zegt iets. Dan een hand, schouderklop, omhelzing en ook felicitaties voor een puike prestatie. Van de ene voor de ander. Rivaliteit verdreven door verwantschap. Die laatste is sterker. Keepers onder elkaar kunnen dat, begrijpen elkaar. Net zoals jullie vast begrijpen dat het met twee verse bekers in de vitrinekast afgelopen zaterdag nog lang onrustig bleef in ‘t Ven.

Erg?

We zijn in Frankrijk en Frans is niet mijn taal. De klankkleur vind ik prachtig, maar van begrip, laat staan reproductie, is nauwelijks sprake.

Erg?

Neen. De les van een week hier zijn, is dat het heerlijk is om te navigeren op klankkleuren. Dat het niet belangrijk is om alles mee te krijgen, alles meteen te verstaan. Een stap opzij zetten en de informatiestroom langs je heen laten gaan is een haast bevrijdende gewaarwording. Het niet beheersen van een taal helpt daar enorm bij. Luisteren naar intonatie en non-verbale communicatie blijken dan plots grootleveranciers van het echte begrijpen. De stap van begrip naar reflectie wordt dan slechts een hele kleine.

Zo was er eergisteren het tafereel van de moeilijk lopende man die, naar ik vermoed, zo’n zeven minuten nodig had om op de rand van het zwembad te gaan zitten. Het ongemak van er naar kijken deed aanvankelijk pijn. De blik op zijn gelaat bij de aanraking van het water, communiceerde echter iets heel anders dan pijn. Intense blijdschap kwam denk ik het dichtstbij. Net als bij de stralende vrouw die later opdook en parmantig en vol trots haar nieuwe jurk showde. Mooi geluk in gewone dingen. Zoals de magerste van het stel die de oudste, dat baseer ik enkel op uiterlijk, op een intense omhelzing trakteerde. Een dikke minuut lang en dat is lang, een minuut omhelzen. Gewoon omdat hij er voor hem was.

Ik zou liegen als ik hier zou schrijven dat ik me niet geërgerd heb aan het ontbreken van 4G en de waardeloze wifi alhier. Ik wel, zij niet. Het is een fascinerende groep. Enkele van hen met het syndroom van Down, sommigen reizen om andere redenen onder begeleiding. Beiden zijn helden; de begeleiders en de begeleiden. Beiden rijden in de laagste versnelling, navigeren op klankkleur en nemen de tijd om uit het raam te kijken en met volle teugen te genieten van alles wat er voorbij komt. Zonder 4G, zonder Wifi en zonder kennis van die Franse taal.

Tear down those walls

Ken je dat verhaal van 9 november 1989? Toen werd de stompzinnigheid van de Berlijnse muur verslagen. Omdat iedereen het erover eens was dat de op 13 augustus 1961 voltooide tweedeling de maatschappij geen goed deed.

IMG_0171.jpg

Waar was jij in de 29 jaren die volgden? Toen de online wereld opkwam die iedereen samen zou brengen en voor begrip en verbroedering zou zorgen. Een prachtig platform dat past bij onze vrijheid van meningsuiting maar dat geleidelijk aan glans verloor omdat bleek dat we vergeten waren om duidelijke spelregels op te stellen. Over dat het uiten van een eigen mening wellicht het beste met respect voor de ander kan worden gemodelleerd bijvoorbeeld.

Metsel jij ook mee? Aan de muren die op de diverse social media worden opgetrokken? Of hoor je bij de groep van online graffitispuiters die deze muren bekladden met steeds verdergaande polariserende content. De muren zijn inmiddels talrijk, torenhoog en door de genoemde content voorzien van vlijmscherp scheermesjes-prikkeldraad. We spreken er schande van, maar metselen ondertussen driftig door aan onze eigen muur die onze eigen waarheidsbubble in tact moeten houden. .

Wat is jouw diversiteit? Terwijl iedereen geboren wordt en uiteindelijk weer sterft en we allemaal slechts passanten zijn, zijn we van diversiteit iets engs gaan maken. Nu meer dan ooit tevoren. Omdat we het polariseren tot een soort van nationale volkssport hebben verheven en angst voor het andere daar nu eenmaal voor nodig is. Ik las ergens dat de mening van vrijheidsuiting op de grillplaat van de populisten ligt, maar dat durf ik te betwijfelen. Want waar populisme zich nestelt op een groeiend contrast tussen het volk en de elite, is het vooral de extremer wordende retoriek waarmee het volk zichzelf in tweeën splijt.


Wat ga jij vandaag doen? Op de dag van dodenherdenking waarover steeds meer waarheden rond gaan over wie en wat we moeten herdenken en het waarom. Op dat laatste heb ik wel een antwoord. Om te beseffen dat het een hoog goed zou zijn als we over honderd jaar nog steeds op 4 mei verslag mogen doen van de herdenking van oorlogsslachtoffers. Of met andere woorden: slachtoffers van het diversiteitsdenken, de fundering van veruit de meeste oorlogen die de historie kent. Laten we a.u.b. stoppen met het maken van een nieuwe herdenkingsdatum. Met 4 mei hebben we al moeite genoeg zo blijkt.

ps.

En als ik zelf moest kiezen tussen uniformiteit en diversiteit? Dan werd het uniformiteit in het besef dat diversiteit in alle dimensies kleur geeft aan een samenleving en dit iets is om te koesteren.

Omroepblog 9 | Thy

Afgelopen zaterdag. Lelijke woorden vliegen door een ijskoude lucht. Een vol blikje drank volgt maar mist de campagnevoerders. Gelukkig maar. Wel wordt indirect het radiodebat van Omroep Venlo geraakt; daar zegt de PVV prompt voor af. Demonisering en obstructie van een partij die geen andere keuze rest dan afzeggen, aldus de eigen aanhang. Het bekende zielig doen en misbruik maken van de situatie, zo roepen anderen weer. Want waarom wél aanschuiven bij een collega-omroep, ‘veilig’ maar vooral vér weg van de directe opponenten? Ik probeer daar niets van te vinden, maar constateer enkel.

Er wordt de laatste dagen overigens wél heel veel gevonden. Over campagne-filmpjes bijvoorbeeld. Maar net zo goed over mensen die zich daar ernstig gekwetst door voelen. Dát mag namelijk niet, zo lees ik. Dat filmpje niet, maar ook het vinden dat het filmpje veel te ver gaat mag niet. Eveneens populair blijkt het om iets te vinden over het feit dat media daar vervolgens over berichten. Alsof de media het filmpje zélf hebben gemaakt, aangifte deden of het blik hebben gegooid. Daarentegen ís het soms ook verwarrend. Zoals zaterdag toen er twee kranten op de deurmat vielen waarvan er maar één de echte was. Of door internetclubjes die zich profileren als medium maar schaamteloos de beste raadslid-verkiezing manipuleren, die van de Telegraaf Media Groep ja. Echt géén stijl. Het is lastig daar niets van te vinden, maar vooral constateer ik wederom.

Waar ik zeker wel iets van vind, is het vocabulaire waaruit velen tappen als ze onder bijvoorbeeld nieuwsberichten op Facebook een reactie achterlaten. Het lijkt haast wel alsof veel mensen het schuifje van een speciale variant van autocorrectie hebben openstaan die alle getypte woorden automatisch transformeert in een zin waar oprotten het werkwoord is, bij voorkeur in kapitalen, óf waarin de ander als tegenreactie gebiedend wordt verzocht de gore vuile bek te houden. Op social media is het gooien van lelijke woorden al veel langer een druk gebezigde activiteit. Het ligt er bezaaid met blikken… Morgen mogen we naar de stembus. Ik hoop dat ook de blikgooiers, degenen die moeten oprotten, zij die hun bek moeten houden en zeker de velen die steeds meer genoeg krijgen van het groeiend gepolariseer gebruik maken van hun stemrecht. Kies dan met verstand en met het hart. Stem dan vooral vóór het leven, ook dat van een ander. Denk dan in het stemhokje nog even aan waarom u ook alweer applaudisseerde voor het voorbeeld dat Lennart Thy ons gaf.

FullSizeRender.jpg

Klagen

Ondanks mooie woorden laat het kabinet de publieke omroep in de kou staan. Dat betoog van Shula Rijxman stond vandaag in het AD gepubliceerd. Rijxman, bestuursvoorzitter van de stichting NPO, is het dus beu. Enkele passages uit haar betoog vielen me op. De link die bijvoorbeeld door haar wordt gelegd met commerciële mediareus De Mol. Enerzijds schrijft ze niet te willen en kunnen concurreren met de bedragen welke aldaar over tafel gaan, anderzijds benoemd ze dat het nog altijd de publieken zijn die volgens haar de eredivisie van tv en radio domineren.

Ik zoek nog altijd naar de relevantie van dit vergelijk. In het echte voetbal trekt de eredivisie namelijk substantieel meer bezoekers en sponsoren naar de stadions dan z’n kleinere broertje waar steeds meer zogenoemde beloftenteams voor spek en bonen de voetbalwei in worden gestuurd. Als je dan zegt die eredivisie te domineren, hoef je toch ook geen hogere salarissen uit te keren? En ook in het voetbal verlaten de sterren van de hoogste nationale divisie vaker hun vertrouwde nest om in verre overzeese competities nog snel wat extra pensioen te cashen. Denk maar eens aan Gerrard, Beckham, Henry, Pirlo, Pelé en Beckenbauer.

Natuurlijk refereert Rijxman in haar stuk ook weer aan de terugloop van reclame-inkomsten die bij de NPO worden geraamd op zo’n zestig miljoen euro (u leest het goed ja). Dat vind ik dan vreemd. Vreemd omdat er wordt beweerd dat er eredivisie wordt gespeeld en de waardering en kijkcijfers zeer naar tevredenheid zijn. Naar mijn bescheiden mening heb je dan een fantastische mooie propositie en gaat er ergens anders iets goed mis.

Grondig ben ik het met Rijxman eens dat een sterke publieke omroep onmisbaar is voor een vitale democratie. Ook deel ik haar zorgen over dat de minister roept dat er weliswaar taakstellingen in het regeerakkoord staan, maar dat de zak geld om deze uit te voeren ontbreekt. Van de andere kant: dit kabinet begint nu pas uit de startblokken te komen.

Wat ik echter enorm betreur van de NPO-eindbaas is dat zij enkel rept over de 1e laag uit het publieke omroepbestel; haar eigen NPO. Van een voorganger van onafhankelijke journalistiek zou ook aandacht mogen worden verwacht voor de regionale en lokale laag. De regionale en lokale omroepen dus. Dat deze niet door haar worden benoemd, begrijp ik echter wel weer. Kijkende naar de cijfers is zij er bij gebaat dat dit een blinde vlek blijft bij de dames en heren van het ministerie van OCW. Wat die cijfers laten zien? Nou, dat van alle overheidsbekostiging inzake het publieke omroepbestel een hele pietepeuterige 1% naar de lokale omroepen gaat, 17,1% naar de dertien regionale zenders en maar liefst 81,9% naar de club van Rijxman. Wie heeft er dus echt met recht te klagen?

Anybody Out There?

De laatste afslag op de A67 voor de grens voert naar ’t Ven, het stadsdeel van mijn eigen stad dat lang bekend stond om de vele tuinderskassen waarvan de meesten inmiddels zijn gesloopt nadat ze jarenlang als stille en door onkruid overwoekerde haast monumentale monumenten dienst deden als soort van landmarks die herinnerden aan waar het in ’t Ven ooit mee begonnen was. Onze jongens voetballen er bij de vereniging die ook echt een vereniging is. Boven aan de afslag van de autobaan, het gaat daar licht bergop, kun je de lichtmasten van het een klein jaar geleden geopende Fair Play Court mooi zien. Het is goed toeven in ’t Ven. Op de radio was een discussie gaande over vluchtelingen. Niet over de Syriërs die ook in ’t Ven worden opgevangen, maar over voor kwaad en verderf gevluchte mensen die nu ergens in de Randstad vertoeven, Utrecht naar ik meen. Ik hoorde het allemaal aan in de auto. Het was een felle discussie waarbij werd gerept over tuig en vuile kopdoek- en baarddragers. Rechts van me zag ik drie volwassenen lopen. Een man met een baard en twee vrouwen met hoofdbedekking. Ze oogden allesbehalve vuil. Ik denk dat ze op weg waren naar het iets verderop gelegen opvangcentrum. De geïnterviewde zei dat Utrecht al genoeg problemen had, ik meen dus dat het over Utrecht ging, en dat die gelukszoekers onder de grond thuishoren. Hij verkondigde het met een haat die bijna in tastbare vorm door de speakers mijn auto binnendrong. Ik stopte om de man en de twee vrouwen voorrang te geven, want dat zijn de regels op dat punt daar bovenaan de afslag. De man gebaarde echter dat ik door kon rijden; zíj zouden wel even halthouden. De oudere vrouw leek te zwaaien en de jongere schonk me een warme glimlach. Ik knikte, zette de auto van de handrem, gaf gas en sloeg rechtsaf. Het liefst was ik onder de grond gereden maar dat kan daar niet. Gelukkig zat er wel een uitknop op de radio. Eerder hoorde ik er Thé Lau nog zingen dat iedereen van de wereld is. Helaas wordt het een wereld waar de horken in aantal toenemen. Stiekem geraak ik steeds meer ontvankelijk voor het idee dat de marsmannetjes maar eens komen opruimen.

Wat ben je zelf van plan er aan te doen?

Bij het bedenken, verfijnen en uitschrijven van campagnes moet ik rust hebben. Getelefoneer om me heen, het ‘Kun je even meekijken?’, ‘Heb je het gehoord van …?’ en kantoormoppen horen niet altijd bij mijn definitie van rust, zodat ik dan ook wel eens de luwte van een horeca-establishment opzoek. Mijn MacBook en ik. Zo ook deze ochtend. De rust duurde daar zo’n tien minuten; toen namen een zenuwachtig ogende vrouw en een naar schatting wat jongere man plaats aan het tafeltje naast mij. Ze spraken luider dan me lief was en zodoende werd ik gedwongen hun relaas te volgen.
Zij was werkneemster, al twaalf jaar, en had het gesprek aangevraagd met hem, iemand van personeelszaken zoals ik al snel begreep. Het ging niet goed. Problemen met haar nieuwe coach (vroeger noemden we zo iemand nog leidinggevende maar dat schijnt niet meer hip te klinken) die er pas een half jaar werkte. Ze had altijd ruimte gekregen om met ideeën te komen, waarvan er velen waren geïmplementeerd, maar nu werd alles door het nieuwe opperhoofd kort geslagen volgens de vrouw. Het ging enkel nog maar om cijfers en er was een sfeer ontstaan waarbij collega’s elkaar niet meer aanvulden maar juist tegenwerkten door hun natuurlijke overlevingsdrang in een slagveld van onrealistische individuele targets. Over haar eigen hachje maakte ze zich geen zorgen zei ze; al het zesde jaar op rij was zij de best scorende accountmanager. Wel vroeg ze zich ernstig af of het nieuwe regime niet schadelijk zou uitpakken voor het totaalresultaat op de langere termijn. Ze zei zich enorm betrokken te voelen bij het bedrijf en de klanten waarvoor ze werkte en vond dat het niet de goede kant op ging.
Het had haar al weken niet los kunnen laten; ze had er buikpijn van en nam deze ook mee naar huis waar ze samen naar bed gingen en opstonden. Vandaar dat ze toch een gesprek had aangevraagd en ze was blij dat ze hier nu met hem zat. Of hij haar verhaal herkende en of hij haar kon helpen waren haar vragen. De jongeman in pak en stropdas had nog weinig gezegd, wel had ik hem af en toe iets op zijn telefoon zien tikken. Hij kwam niet met antwoorden maar met een tegenvraag: ‘Wat ben je zelf van plan er aan te doen?”. Uit het boekje dus en de vrouw waarmee ik haast medelijden kreeg, liep vol in de messcherpe bladzijden van het hoofdstuk ‘Pareer-vragen’. Uiteindelijk liep ze met betraande ogen na twintig minuten weg, tikte de mannelijke personeelsfunctionaris nog wat voldaan op zijn Samsung-verslaving en typte ik snel deze blog voordat ik verder schreef aan de campagne waarvoor ik daar was gaan zitten.

 

Omdat ik verhalen zoals het bovenstaande steeds vaker hoor. ‘Wat ben je zelf van plan er aan te doen?’ Kom op! Als mensen een probleem met iemand delen en erover willen praten dan hebben ze verdomme al het nodige gedaan. Hun schroom overwonnen, die iemand gebeld voor een afspraak, hun verhaal verteld en de vraag gesteld die voor velen heel moeilijk is, namelijk: ‘Zou je me willen helpen, ik kan het niet alleen.’ Vaak worden ze dus totaal niet serieus genomen, op tegen arrogantie aan-schurende wijze zelfs. Omdat veel managers en zelfs sommige P&O-mensen niet begrijpen, omdat het hen ook niet meer geleerd wordt, dat hun eigen output wordt bepaald door de output van aan wie ze leiding geven. En die output wordt in ieder geval niet beter door de socioloog/psycholoog uit te gaan hangen. Wel door je mensen te helpen. Door naar ze te luisteren, door hen serieus te nemen en hen te faciliteren in het boven zichzelf uit te stijgen. Voor dat besef moeten veel managers eerst zelf geholpen worden. Maar die moeten dan wel willen afdalen van hun totempaal waar ze voor zich uit staren, zoekende naar of het gouden idee niet ergens in de wolken geschreven staat, daar waar hun eigen mensen op de vloer het hopeloos springend willen aanreiken. Maar die worden niet gezien en hun geluid wordt genegeerd omdat ze geen manager maar gepeupel zijn. De maatschappij is aan het doordraaien en ik moest denken aan De Afvallige van Jan van Aken (leestip!) waarin iedere andere, zeker de andere met een afwijkend denkpatroon of overtuiging, de afvallige is. Het boek begint met een paalzitter…

 

Oh ja, omdat ik niet houd van iedereen over één kam scheren; er zijn warempel ook hele goede managers, leidinggevenden of coaches zoals u wilt. Oprechte mensen die niet hun eigen antagonist zijn. En al zijn ze in de minderheid; ik maak er een aantal van dichtbij mee en dat is dan weer mooi.

De musical en haar tranen

‘En?’

 

‘Zo, vertel eens!’

 

‘Wat vond je er zelf van?’

 

Ik vond er niets van. [Sorry] Vond dat ik er ook niets van moest vinden. Vond bovendien dat als ik er iets van gevonden had dit totaal niet relevant zou zijn voor anderen. Maar ik vond er dus écht niets van. Wel heb ik de energie die met de première van de speelvloer afspatte met diepe teugen geïnhaleerd, de reacties over me heen laten komen, goed geluisterd naar wat die reacties waren en er stiekem van genoten.

 

Ruim een jaar geleden begon het met een telefoontje. Of ik een script zou willen schrijven voor een musical, dat was de vraag die mij werd gesteld. Of ik een script kán schrijven voor een musical, dát was de vraag die ik moest beantwoorden. Het werd een ja. Een ja omdat ik wel houd van een avontuur en daar het een nagenoeg vrije opdracht betrof, althans dat dacht ik toen. Twee uitgangspunten waren er, twee slechts; dat het een musical moest zijn en dat het verhaal zich gedurende een aantal dagen in een schuilkelder zou afspelen gedurende WOII. Dat klonk inderdaad als een bijna vrije opdracht. De tijdsgeest vond ik aanvankelijk niet zo heel belangrijk, maar die schuilkelder sprak me erg aan. Namelijk de vraag wat er zou gebeuren als ik enkele personages van verschillende pluimage in een ruimte opsluit waar niemand weg kan. Waar ze onder spanning op elkaar aangewezen zijn, wat doet dat met die lui?

 

Van meet af aan was het mij duidelijk dat het een fictief verhaal zou worden, maar wel een realistisch. Om dat realisme in het DNA van de verhaallijn te weven, heb ik heel wat mensen gesproken. Het begon met een oproep op Facebook en al snel zat ik tegenover mannen van 90 jaar en ouder die mij nog altijd hevig geëmotioneerd verhalen vertelden. Een uitgever die mijn post op Facebook had gezien, bracht me in contact met een Nederlandse die al ruim 60 jaar in Canada woont. Ook zij heeft als jong meisje vaak in schuilkelders vertoefd. Tijdens, maar ook na de oorlog heeft zij ook zelf vaak in theaters op de planken gestaan, net zoals de revuemeisjes in de musical ‘Ondergronds naar Morgen’. De verhalen van Johanna, zo heet ze, en de heren deden me pas beseffen hoe zwaar beladen het onderwerp WOII nog altijd voor die generatie is.

 

In mijn hoofd is toen een hevige strijd ontstaan tussen respect voor het thema enerzijds en de wetten van een musical anderzijds. Na mooie discussies met Jeroen, regisseur van het stuk, werd er meer vrolijke lucht in het oorspronkelijk geschreven concept-script gepompt. Minder diepgang, maar meer variatie die een musical een musical maakt. Want een musical heeft wel degelijk wetten. Met name de emotionele modulatie tussen spanning en ontspanning, waarbij vooral toch de luchtige kanten het meest worden belicht. Op zich vond ik dat al lastig genoeg en al helemaal omdat er qua setting geen snijvlakken gekozen konden worden. We zaten nu eenmaal in een kelder met z’n allen. Met z’n allen, ook dat nog. Constant iedereen op de vloer om je heen, geen kant op kunnen; ik begon bij het schrijven haast zelf het benepen gevoel van de schuilkelder te voelen…

 

In het afgelopen jaar is het oorspronkelijke script geëvolueerd. En niet alleen het script. Vooral waren het de personages in dat script die zich ontwikkelden. Of waren het juist de acteurs die deze personages speelden? Het antwoord is beiden en het was een voorrecht dit vanuit de zijlijn te mogen aanschouwen. Evenzo fijn was het deze mensen te leren kennen; de cast, het hele team van regie, choreografie, zang en productie. Complimenten ook aan Stichting Musical Stella Duce hoe ze een volledig eigen productie met een nieuwe groep met veel diversiteit in ervaring aandurfden. Een dikke pluim hiervoor. Het was een voorrecht om onderdeel van dit alles te zijn. Zo voel ik dat.

 

Afgelopen weekend waren de voorstellingen. Ik vond er dus aanvankelijk niets van. Tot het moment dat de lichten tijdens de zondagmiddagvoorstelling ontstoken werden om de pauze aan te kondigen. Het waren tranen die ik zag. Best veel tranen. Tranen bij het publiek, tranen bij de cast en tranen bij mensen van de productie. Tranen van emotie. Mensen waren geraakt. Of het stuk op de idioterie en waanzin van de huidige samenleving geschreven was, zo werd me gevraagd. Haal eruit wat u eruit wil halen, zo luidde mijn antwoord.

 

Toen de tweede helft van de voorstelling begon, had ik me alweer teruggetrokken in het donker hokje voor licht en geluid helemaal bovenin de zaal. De cast speelde met bezieling maar mijn gedachten waren bij een van de oude mannen waarmee ik sprak, inmiddels is hij overleden. Ergens in, ik meen februari 2015, bracht hij me in een bijna drie uur durende monoloog naar het Nederland en Duitsland van tijdens de oorlogsjaren. Hij heeft verteld, geschreeuwd en gehuild. Soms moest hij stoppen of even weglopen omdat de emoties te hoog opliepen. Zelden heb ik iets zo heftig en tegelijkertijd zo mooi gevonden als mijn ontmoeting met deze man. Aan dat ongelooflijke verhaal en de bewonderingswaardige verteller ervan moest ik denken, gistermiddag in dat hokje. Aan zijn tranen. En aan de tranen die ik kort daarvoor in de theaterzaal had waargenomen. Ook moest ik denken aan domme ouders in Kaatsheuvel, schreeuwers in Steenbergen, haatpredikers op Facebook en in onze eigen Tweede Kamer. Toen weer aan de tranen.

Mijn overpeinzingen werden verstoord door applaus. Ik keek naar beneden en alles viel op z’n plaats. Een Joodse vrouw zong hand in hand met een Duitse soldaat het slotlied.

Foto’s door Karin de Jonge